Column Boudewijn Steur: "Verloren vertrouwen"

Ik kan mij er nauwelijks een voorstelling van maken: getroffen worden door een aardbeving, dat mijn huis daardoor (ernstig) beschadigd raakt en dat ik vervolgens door de overheid van het kastje naar de muur word gestuurd om gecompenseerd te worden voor de kosten. Dat ik al maanden – en soms zelfs jaren – aan het wachten ben wanneer ik te horen krijg of mijn huis in aanmerking komt voor versterking. Of erger: dat ik bericht krijg dat ik daarvoor in aanmerking kom, vervolgens een paar weken later een bericht dat dat niet meer het geval is en weer later dat het misschien wel zo is. De onzekerheid over de toekomst van je eigen huis. De onmacht dat je geen controle of regie hebt over je thuis. En vooral het wachten. Het wachten op zekerheid, op weten waar je aan toe bent.

In het boek “Ik wacht” vertellen Groningers over hun onzekerheden, over hun gebrek aan controle over hun eigen toekomst en over hun toenemende boosheid en woede over het overheidshandelen. Afgelopen weekend heb ik daar met stijgend ongemak in zitten lezen. Je merkt gewoon hoe langzaam maar zeker hun vertrouwen in de nationale, provinciale en gemeentelijke instituties afneemt, verbrokkelt bij deze mensen.  

Het toenemend wantrouwen van inwoners richt zich op de overheid en de politiek. Zowel lokaal, provinciaal als nationaal. Blijkbaar, zo denken ze, zijn die instituties er niet voor hen. En ik kan ze niet eens ongelijk geven als ik hun verhalen lees. Dat is ernstig. Heel ernstig. Volgens mij hebben we nog nooit eerder in het moderne Nederland meegemaakt dat het wantrouwen in de overheid in een bepaalde regio zo groot en structureel was.

Ik maak mij daar oprecht zorgen over.

Want wat is er nodig om dat vertrouwen te herstellen? Continu stelde ik mijzelf die vraag bij het lezen van de ervaringen van al die Groningers. Een paar weken geleden zat ik bij een interessante discussie daarover in Groningen. Ook daar merkte je de worsteling met hoe dit wantrouwen het beste weggenomen kan worden.

Ruwweg zag ik in de discussie twee denkrichtingen ontstaan. De eerste richting zegt dat de overheid zich nu moet beperken tot schadeherstel en versterking. Bewoners zijn nu alleen daar mee bezig. Een veilig dak boven je hoofd is immers een basisbehoefte. Als dat niet in orde is, kun je nergens anders meer aan denken. Het belangrijkste wat de overheid moet doen, is inzetten op het ontbureaucratiseren van procedures en daar alle capaciteit op inzetten. Als de schade hersteld is, de rekeningen vereffend en de huizen versterkt, zo luidt de redenering, kan het vertrouwen van inwoners hersteld worden. Pas dan hebben inwoners ook weer ruimte in hun hoofd om na te denken over andere zaken, zoals de toekomst van hun dorp of wijk. Het gaat in deze denkrichting dus vooral om een presterende overheid.

Ik betwijfel echter of een presterende overheid voldoende is.

Ik zit meer op de lijn van de tweede denkrichting. Deze stelt dat parallel aan het schadeherstel en de versterking van huizen een traject gestart moet worden van perspectief voor de gemeenschap. Het gaat gelijktijdig om de zorg voor het individuele als voor het collectieve. Dat zie ik ook terug in de verhalen van de inwoners. Ja, zij willen oplossingen voor hun eigen situatie, hun eigen huis. Maar zij willen gelijktijdig dat er iets gebeurt voor de gemeenschap. Inwoners ondervinden aan den lijve dat de besluiten over schadeherstel en versterking consequenties hebben voor de samenhang in hun dorpen, wijken en buurten. Zo komt de ene buurman in aanmerking voor een tegemoetkoming van de kosten om het huis te versterken of zelfs een nieuw huis, terwijl een andere buurman daar niet voor in aanmerking komt. Dergelijke beslissingen doen iets met een gemeenschap. In een van de verhalen wordt de associatie gemaakt met de Nationale Postcode Loterij. Wat doet het met een gemeenschap als de grote straatprijs ergens valt en er plotseling een aantal miljonairs wonen, terwijl een ander deel niets heeft. Dat leidt tot tweespalt in die gemeenschap; een gevoel van ongelijke, oneerlijke behandeling. Nu hoor je al dat sommige mensen in Groningse dorpen elkaar al niet meer begroeten of niet meer willen spreken. Dat moeten we voorkomen.

Ondanks de twee denkrichtingen is iedereen het erover eens dat de opgave in Groningen niet alleen een fysieke is, maar ook een sociale. Het gaat niet alleen om het schadeherstel of de versterking van huizen, maar over het herstellen en verbinden van de gemeenschap. De manier waarop inwoners betrokken worden en zich betrokken voelen, is daarbij van groot belang.

We moeten niet vergeten dat bestuurders en raadsleden hun verantwoordelijkheid daarbij moeten nemen. Veel mensen kijken naar de politici en bestuurders in de verwachting – en hoop – dat zij opkomen voor hun problemen en belangen. Dat mógen bewoners ook verwachten. Maar dat vraagt wel wat van die bestuurders en politici. Zij worden geacht over hun schaduw heen te stappen en met elkaar samen te werken, zodat procedures versneld worden in plaats van vertraagd. Dat zij schakelen tussen bestuurslagen, zonder dat inwoners daar last van hebben. Het vraagt van ze om een goede relatie met hun inwoners, met de samenleving te onderhouden. Dat zij weten wat er speelt en leeft. Het betekent dat zij een visie op de problemen hebben en deze voor het voetlicht brengen. In vol contact met de inwoners, zodat je ook gezaghebbend nee kunt zeggen. En het betekent ook dat zij in staat zijn om uit te leggen waarom het ene wel gaat op de manier waarop bewoners het willen en andere dingen niet. Besturen met weerstand is dan een belangrijke vaardigheid.

Inwoners moeten – aanvullend op de vertegenwoordigende democratie – ook direct betrokken worden bij de genomen besluiten. Als inwoners gevraagd worden mee te denken, is het noodzakelijk dat zij ook feitelijke invloed hebben. Daarbij geldt dat bestuurders ervoor moeten waken dat meedenken niet bij één contactmoment blijft, maar dat bewoners ook worden meegenomen in de opvolging en de uitvoering daarvan. Je kunt nooit – en zeker niet in Groningen – inwoners vragen mee te denken en mee te doen en dan niets zichtbaars met de uitkomsten daarvan doen. Daarom is het heel belangrijk dat zorgvuldig bepaald wordt waar inwoners wel over mee kunnen beslissen en waarover niet. Transparantie, geloofwaardigheid en eerlijkheid staan daarbij voorop. De gemeenteraden en Provinciale Staten moeten hier een duidelijke positie over innemen. In mijn beleving moet het dan vooral gaan over keuzes die te maken hebben met het eigen dorp en de eigen wijk. Wanneer het gaat om de directe leefgemeenschap. Het gaat dan bijvoorbeeld over de inrichting van de fysieke leefomgeving, maar ook over keuzes die gemaakt moeten worden over de energietransitie in die gebieden.

Bestuurders en politici moeten zich realiseren dat het herstel van vertrouwen niet vanzelf zal gaan. Een presterende overheid is geen voldoende voorwaarde, wel een noodzakelijke. Waar het om gaat, zijn politici en bestuurders die voor de inwoners gaan staan, een luisterend oor bieden en begrijpen waar de zorgen van mensen zitten. Dat zij bewoners in staat stellen zelf regie en controle te hebben over hun eigen toekomst. Het vertrouwen wordt dan stap voor stap weer opgebouwd.