Column Boudewijn Steur: Volksvertegenwoordigers zijn aan zet bij de RES

Auteur Boudewijn Steur

Hernieuwbare energie, aardgasvrije wijken, petajoule, warmtebronnen, CO2-vrij elektriciteitssystemen, terawattuur, warmtepompen, klimaatneutraal, zonnepaneelvelden.

Het gonst de laatste tijd van deze termen binnen de lokale democratie. Dat heeft natuurlijk allemaal te maken met het klimaatvraagstuk, waar ook gemeenten, provincies en waterschappen voor staan. De komende periode wordt dat het meest concreet in het opstellen van regionale energiestrategieën. Het opstellen hiervan komt voort uit het – nog te ondertekenen – Klimaatakkoord. Vanuit 30 regio’s wordt een aanbod gedaan hoe zij een bijdrage kunnen leveren aan de landelijke doelstelling van 35 Terawattuur duurzame energie.

RES

De bedoeling is dat deze regionale energiestrategieën – afgekort in RES’sen – binnen regio’s samen met maatschappelijke partners, netbeheerders, het bedrijfsleven en waar mogelijk inwoners worden opgesteld. Vooralsnog zie ik in discussies over de totstandkoming van de RES’sen veel nadruk liggen op de participatie van die stakeholders. Op zich is dat niet verkeerd. Maar we moeten niet vergeten dat we in Nederland een representatieve democratie hebben. Gelukkig hoor ik ook steeds vaker de vraag op welke manier de volksvertegenwoordiging hier bij betrokken wordt. Het gaat dan om gemeenteraden, provinciale staten en Algemene Vergaderingen van waterschappen.

Het is belangrijk dat volksvertegenwoordigers nauw betrokken zijn bij de besluitvorming over de regionale energiestrategieën. Ik maak mij daar wel zorgen over. Het risico bestaat immers dat gemeenteraden en provinciale staten pas aan het einde van de rit echt wakker worden. Op het moment dat alle andere partijen hun input hebben geleverd bij de regionale energiestrategieën en de raden en staten alleen nog kunnen tekenen bij het kruisje. Dat is onwenselijk. In de regionale energiestrategieën worden immers belangrijke politieke keuzes gemaakt. Keuzes die besproken en bepaald moeten worden binnen de volksvertegenwoordiging.

Ik snap wel waarom volksvertegenwoordigers nog wat aarzelend tegenover de RES’sen staan.

Er zijn immers genoeg argumenten voor gemeenteraden en provinciale staten om nog niet betrokken te zijn. Vooralsnog is bijvoorbeeld niet alles bekend of zelfs vastgesteld over het proces. Het klimaatakkoord is nog niet eens getekend. Misschien is het daarom juist wel goed om even te wachten, zo luidt de redenering. En dat is niet het enige argument. Naast de regionale energiestrategieën zijn er nog genoeg andere dossiers waar gemeenteraden en provinciale staten hun tijd aan kwijt zijn. Zo zijn gemeenteraden nog maar net een beetje aan de dossiers in het sociale domein aan het wennen. O ja, en de Omgevingswet komt er ook nog aan.

Daar staat één belangrijk argument tegenover.

Eén die voor mij al die andere tenietdoet. En dat is de enorme impact van de energietransitie op het dagelijks leven van inwoners. Niet alleen financieel, maar ook sociaal en ruimtelijk. Vanuit dat besef is het noodzakelijk dat volksvertegenwoordigers hier nauw bij betrokken zijn en worden. Bestuurders moeten het als plicht ervaren hun volksvertegenwoordigingen in stelling te brengen, maar het is ook een verantwoordelijkheid van volksvertegenwoordigers zelf om betrokken te zijn. Griffiers kunnen daar een belangrijke rol bij spelen.

Een belangrijke vraag is dan natuurlijk hoe die betrokkenheid er uitziet.

In de meest minimale vorm komt dat tot uitdrukking in het feit dat volksvertegenwoordigingen de RES’sen vaststellen. Daarmee gaat het dus over besluitvorming en structuren, want op welk moment worden besluiten voorgelegd aan de gemeenteraden en provinciale staten? En welke besluiten worden voorgelegd? Gaat het dan alleen om het finale RES-bod, of ook om het concept of de startnotitie.

Daaraan gerelateerd is de vraag hoe volksvertegenwoordigers deze besluitvorming willen organiseren.

Aan hen worden immers besluiten voorgelegd die parallel aan andere raden of staten binnen een RES-regio worden voorgelegd. Hebben volksvertegenwoordigers van verschillende raden en staten onderling contact over hun inzet? En als zij dat hebben, lopen deze contacten dan uitsluitend langs partijpolitieke lijnen? Of willen volksvertegenwoordigers in gezamenlijke sessies tot besluitvorming komen? Een andere optie is dat zij in aanloop naar het besluitvormingsmoment een gezamenlijke werkgroep hebben die alle raden en staten adviseert? En hoe willen volksvertegenwoordigers gedurende het hele RES-proces geïnformeerd worden? Willen zij bijvoorbeeld aanwezig zijn bij de ateliersessies die in veel regio’s worden georganiseerd, of misschien juist niet?

Dit zijn allemaal vragen die op dit moment leven. Voor een belangrijk deel kan daarbij gebruik gemaakt worden van kennis en expertise hierover bij het ministerie van BZK, de VNG en de RES-regio’s zelf. Maar dan gaat het vooral om de structuren en processen. De vraag naar betrokkenheid van volksvertegenwoordigers gaat echter verder dan hun formele positie in het besluitvormingsproces. Het gaat ook om cultuur, gedrag en houding. Of misschien juist ook wel daarom. Je kunt immers van alles vastleggen over formele besluitvormingsmomenten of over de gewenste processen, maar het gaat er vooral om hoe volksvertegenwoordigers daar mee omgaan. Hoeveel interesse hebben zij in het onderwerp? Hoeveel grip op de inhoud ervaren zij? En hoe organiseren volksvertegenwoordigers het zo dat zij weten hoe hun inwoners hierover denken?

Formele besluitvormingsmomenten, stroomlijning van processen, bewustwording over het belang van dit onderwerp, het proactieve gedrag en houding. Het zijn nogal wat zaken die we vragen van onze volksvertegenwoordigers. Daar moeten we ons bewust van zijn. Dat zal zeker niet vanzelf gaan.

En daarbij moeten we één ding voor ogen houden: het betrekken van volksvertegenwoordigers is niet alleen een theoretisch of staatsrechtelijk vraagstuk. Het gaat hier juist om de manier waarop inwoners via onze representatieve democratie betrokken worden bij deze ingrijpende besluiten. Besluitvorming over het energievraagstuk kan en mag niet over de hoofden van inwoners heen. Het energievraagstuk is immers van ons allemaal. Het gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid, waar gezamenlijk aan gewerkt wordt.