Column René Cuperus: Right to Challenge, het ‘uitdaagrecht’ uitgedaagd

Nederlanders houden van een goed georganiseerd land. Zelfs zo sterk, dat als ze vinden dat iets niet goed georganiseerd is, ze gaan klagen. Of: en dat is natuurlijk veel beter - zelf de handen uit de mouwen steken. Dan krijg je burgerinitiatief, doe-democratie, burgerkracht. Of noem al die iets te modieuze termen maar op.

Toch is dat een prachtige ontwikkeling, al dat bruisende burgerinitiatief in heel veel gemeenten. Beter zelfredzame, prettig met elkaar samenwerkende Nederlanders, dan klagende en zeurende Nederlanders. (Op TV bij de Rijdende Rechter kunnen we zien hoe dat er uitziet. )

            Ons lievelingsthema van vandaag - het uitdaagrecht, Right to Challenge - hoort natuurlijk ook helemaal bij dat bruisende burgerinitiatief.

Maar pas op! Voor ons – hobbyisten, fans, beoefenaars of bestudeerders van Right to Challenge mag dat begrip gesneden koek zijn. Dat is buiten deze zaal bepaald wel anders.  

            Ik heb dit weekend een heel representatieve steekproef in mijn eigen omgeving gedaan: nou, vrijwel niemand had ooit van Right to Challenge gehoord. Als men al een reactie had, dan dacht men dat het een sponsorloop tegen kanker was.

Laten we eerlijk zijn: het uitdaagrecht kom je ook zelden op tv of in de kranten tegen. Pas onlangs stond er een mooi stuk in de Volkskrant over hoe burgers in Tilburg hun eigen Spoorpark ontwerpen en beheren.

            Laat ik maar direct met de deur in huis vallen: ik sta nogal ambivalent tegenover Right to Challenge. Ben tweeslachtig. Ik vind het fascinerend, maar ook problematisch, en zal uitleggen waarom.

Het fascinerende eraan vind ik dat Right to Challenge goed laat zien waartoe wij, burgers tegenwoordig allemaal niet in staat zijn. Hele zwembaden openhouden en beheren. Fitte senioren die zorgcoöperaties met elkaar opzetten. Mensen die wijkbedrijven runnen met en voor werkzoekenden, of windmolens laten draaien voor hun dorpshuis. Je kunt het zo gek niet bedenken.

Mensen hebben tegenwoordig zoveel skills, zoveel talent en ervaring om dingen voor elkaar te krijgen, en kunnen ook zo goed samenwerken. Nog even en we kunnen definitief de Horizontale Samenleving uitroepen en hebben geen politiek en overheid meer nodig.

Ik was wel blij erachter te komen dat ook in de moeilijkste wijken van Nederland buurtinitiatief en zelfs Right to Challenge te vinden is. Dat het, godzijdank, niet helemaal beperkt blijft tot de ‘gevorderden van het buurtinitiatief’, de beter opgeleide, iets welvarender ouderen.

Want - beroemd voorbeeld -: in de Afrikaanderwijk op Rotterdam-Zuid werd de markt dagelijks op basis van Right to Challenge schoongemaakt door werkzoekenden uit die wijk zelf. Al begrijp ik dat dat sinds kort gestopt is.

Dat is jammer, want ik was al bang dat dat prachtige voorbeeld van de Afrikaanderwijk wel een uitzondering zou blijven. Ik heb dit weekend het eindrapport van de Universiteit Leiden eens zitten lezen (‘’Right to Challenge. Een studie naar de mogelijkheden voor een algemene regeling voor het ‘Right to Challenge en andere burgerinitiatieven in Nederland’’ van professor Willemien den Ouden, e.a.), nou, dan kun je niet anders vaststellen dan dat Right to Challenge een ongelooflijk complexe materie is.

Je moet minstens jurist zijn, of drie juristen in je buurt of vriendenkring hebben, wil je chocola kunnen maken van het juridisch-ambtelijke moeras waarin je terecht komt.

Aansprakelijkheidsrecht. Aanbestedingsrecht. Economisch bestuursrecht. Rechtspersonenrecht. Bent u daar nog?

            Dat vind ik nog wel het meest fascinerende aan Right to Challenge, dat het een spiegel voorhoudt hoe we onze samenleving hebben georganiseerd. Hoe complex die is geworden, hoe gereguleerd, hoe gejuridiseerd, hoe verambtelijkt.   

Je denkt bij burgerinitiatief en burgers die publieke taken in eigen beheer nemen al gauw aan vrijheid, blijheid. Dat als de overheid met zijn ambtelijk apparaat het niet meer doet, er een lekkere vrije ruimte komt waarin burgers mogen improviseren, en het prettig zelf voor het zeggen hebben.

Maar als je de casusbeschrijvingen in het zojuist gepresenteerde rapport leest, zie je dat daar weinig van aan is. Niks vrije ruimte voor burgers. Vechten tegen  ‘regelcomplexen’, is wat men permanent moet doet, zoals dat zo dreigend in dat rapport genoemd wordt.

We stuiten hier op de grote vrijheidsillusie, vrees ik. En dat is ook niet zo gek. Ons land mag dan vaak een overgereguleerde, risicomijdende samenleving lijken, en voor een deel is dat ook zo, maar als burgers zijn we daar ook zelf verantwoordelijk voor. Wij zijn als burgers uiterst schizofreen als het om vrijheid/blijheid gaat.  

We willen aan de ene kant totale vrijheid en burgerkracht, maar o wee als er iets fout gaat. Dan roepen we ach en wee, en schreeuwen we om regels, toezicht, controle en handhaving. Dat is de vrijheidsparadox van de moderne mens (bungeejumpen met een parachute om) die we ook volop tegenkomen bij Right to Challenge.

Want je kunt leuk een speeltuin hebben overgenomen van de gemeente, maar wat als er een klein kind gewond raakt door een speeltoestel dat onvoldoende was onderhouden? Waar sta je dan met je uitdaag-stoerheid? Of nog erger: een kind verdrinkt in het dorpszwembad dat je met wat buurtgenoten in eigen beheer had? 

Ik rond af met nog een paar kritische kanttekeningen:

Ten eerste, vind ik dat het uitdaagrecht in theorie het vertrouwen in de overheid, in het openbaar bestuur, ondermijnt. Het moet toch eigenlijk niet kunnen dat burgers of verenigingen het beter doen dan de professionals van de gemeente? Dat is toch eigenlijk een zot idee? Dat ligt misschien wat anders in die gevallen dat het echt om bezuinigingen gaat, om een terugtredende en taken afstotende overheid, maar verder hik ik wel aan tegen die principieel-ondermijnende impact. Ik hoor daar weinig mensen over.

Misschien omdat in de praktijk Right to Challenge veel minder ‘overheidsvrij’ is, dan de theorie suggereert. Vaak is er sprake van een intensive samenwerking tussen burgers en ambtenaren bij het pionierswerk van het burger-zelfbeheer. Sommigen spreken om die reden ook liever van het Right to Cooperate. Juist de enthousiaste wisselwerking tussen creatieve burger-doeners en meedenkende ambtenaren blijken het al dan niet slagen van R2C-projecten te bepalen.

            Ook moet niet gedaan worden alsof Right to Challenge een volstrekt nieuw fenomeen is, neergedaald uit Engeland. Nederland is van oudsher een bakermat van particulier initiatief. Het Bijzonder Onderwijs sinds 1919 zou men zelfs de ultieme vorm van ‘Right to Challenge’ avant-la-lettre kunnen noemen. Ouders die zelf scholen stichten met publiek geld.  Wat ooit als particulier initiatief begon, werd in de 20ste-eeuw om redenen van gelijkheid en efficiency verstatelijkt in een gulzige verzorgingsstaat. We maken nu, deels vanuit idealistische motieven (burgers ‘eigenaarschap’ teruggeven), deels door bezuinigingen gedreven, de pendel weer terugslaan van bureaucratisch paternalisme naar particulier initiatief van steeds zelfredzamer burgers. 

Dan mijn slotobservatie.

Nederland kent traditiegetrouw een tamelijk regenteske politieke cultuur. We kiezen, anders dan in ons omringende landen, hier geen bestuurders, maar volksvertegenwoordigers. Geen minister-president, maar Kamerleden. Geen burgemeester of wethouders, maar raadsleden. Niet de (uitvoerende) macht, maar de controle op de macht.

Iets regentesks klinkt er ook door in al die teksten over burgerinitiatief. De burger krijgt, bij de genade Gods, een heel klein stukje uitdaagrecht en participatie. Maar dan alleen in zijn eigen leefomgeving, eigen wijk of groenvoorziening. De burger gereduceerd tot NIMBY-wijkbewoner.

Men lijkt te zijn vergeten dat in een moderne democratie de burgers de baas zijn. Niet alleen over hun eigen straat, wijk of gemeente, maar over heel Nederland en Europa. Men lijkt ook te zijn vergeten dat ooit politieke partijen burgerinitiatieven waren, ja dat de hele gemeentepolitiek feitelijk één groot burgerinitiatief is. Gemeenteraadsleden, ambtenaren en bestuurders zijn collega-burgers. Niets meer en niets minder.

In een democratie hebben burgers een alomvattend Right to Challenge, het recht om het geheel van politiek, beleid en bestuur te bevragen en uit te dagen.

René Cuperus is als extern adviseur verbonden aan het BZK/VNG-samenwerkingsprogramma ‘Democratie in Actie’.

* Deze column was een bijdrage aan de Democratie in Actie-conferentie ‘Aan de slag met Right to Challenge!’, 7 mei 2019, The Colour Kitchen Utrecht.