Afgestofte rapporten 8 – (N)iets doen is hard werken

Auteur Thomas de JagerDatum 21-11-2019

In ‘(N)iets doen is hard werken’ (2014) stellen onderzoekers van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) dat de grootste uitdaging van de overheid bij bewonersinitiatieven ligt in het vermogen om even niets te doen.

In het rapport analyseert de NSOB participatiepraktijken in de gemeente Bergen op Zoom en destilleert daaruit waardevolle principes en dilemma’s die voor alle gemeenten die met bewonersinitiatieven of het right to challenge te maken hebben leerzaam en actueel zijn. Gek genoeg blijkt ‘niets’ doen hard werken, zeker in lokale netwerken waar de overheid aan anderen ruimte laat en van hen verwacht dat ze verantwoordelijkheid nemen.  

Doe-centrum en Ondernemersplein

De onderzoekers beginnen met een analyse van twee initiatieven in de buurt Gageldonk-West: het Doe-centrum en het Ondernemersplein. Daarbij stellen ze zichzelf de simpele vraag: hoe kan de inzet en energie in de gemeenschap bijdragen aan het realiseren van maatschappelijke doelen?

Het Doe-centrum, opgericht in januari 2014 is een pand waarin vrijwilligers verschillende activiteiten verzorgen. Hart van het Doe-centrum is het Doorgeefpunt, iedereen die spullen ter ondersteuning van het dagelijks leven over heeft kan deze aan het Doorgeefpunt schenken. Daarnaast worden er cursussen gegeven en is er een ruimte ingericht waar buurtbewoners coaching kunnen krijgen, bijvoorbeeld op het gebied van gezonde voeding en sollicitatietraining. Anno 2019 bestaat het Doe-centrum nog steeds en is het uitgegroeid tot een stedelijke multifunctionele plek waar verschillende zorg-, welzijn-, burger- en vrijwilligersinitiatieven plaatsvinden.

Het Ondernemersplein was gevestigd in een oude basisschool die door een samenwerking tussen Stadlander en Adhoc, de gemeente Bergen op Zoom, het StartersCentrum Bergen op Zoom en jonge ondernemers werd opgeknapt tot een ondernemerscentrum voor starters. Met behulp van coaching en met een betaalbare huur konden starters een onderneming opzetten en doorgroeien.  

Timing, interactie en interventies

De onderzoekers concluderen dat er bij zulke initiatieven drie zaken zijn waarmee de overheid rekening moet houden.

Ten eerste is er de dimensie van tijd of timing. Ambtenaren moeten niet alleen de juiste rol aannemen, maar dat ook op het juiste moment doen. Het momentum van acties is belangrijk in sociale dynamieken; als iets te lang duurt gaat de energie eruit, maar als het te snel gaat voelt het als doorduwen en overvalt het mensen.

Ten tweede is er de dimensie van interactie. De gemeente moet aanvoelen wanneer en op welke manier initiatieven of ondernemers te benaderen. Een duidelijk aanspreekpunt bij de gemeente helpt daarbij. Soms is hulp geboden maar in andere gevallen is het juist de kunst even niet te helpen en het eigenaarschap (ook van het ongemak) bij de mensen zelf te laten.

De derde dimensie betreft het interventierepertoire. De gemeente heeft verschillende instrumenten om initiatieven of ondernemers te sturen of te stimuleren, bijvoorbeeld via wet- en regelgeving en door middel van geld. De gemeente staat steeds voor de afweging of de inzet van eigen middelen bijdraagt aan de gewenste dynamiek, zowel op de korte als de lange termijn. Toekenning van middelen brengt bijvoorbeeld verantwoordingsverplichtingen met zich mee, maar kan ook leiden tot het verlies aan inzet om eigen geldstromen te organiseren.  

Gemeenten moeten nadenken over deze drie dimensies als het gaat om goed aansluiting vinden bij de bewegingen in de samenleving.  

Dilemma’s van het (n)iets doen

Het aannemen van een juiste houding is als overheid in de praktijk lastig. De onderzoekers schetsen een aantal dilemma’s waar je als gemeente over na moet denken:

  1. Het continueren van mooie initiatieven. Hoe kunnen mooie participatiepraktijken worden geborgd en (het liefst) verder worden gebracht?
  2. Het professionaliseren van mooie initiatieven. Een initiatief is een succes en draagt bij aan de verbetering van een wijk. Het is dan interessant en relevant om te kijken of het mogelijk is dit initiatief te behouden voor gebruik in een andere wijk.
  3. De ongelijkheid in toegang en profijt bij mooie initiatieven. Op het totaalplaatje levert het initiatief een bijdrage aan de verbetering van de wijk, maar niet iedere buurtbewoner ziet iets terug van die bijdrage. Voor de overheid is ongelijkheid een lastige kwestie, omdat de overheid er vanuit de klassieke gedachte is voor iedere burger.
  4. De uitwerking van mooie initiatieven. Wat als lage huren in een Ondernemersplein bijvoorbeeld leiden tot ‘oneerlijke concurrentie’ en klachten vanuit andere ondernemers? Soms plaatst de uitwerking van een initiatief de gemeente voor een lastig dilemma; de vloek van succes!
  5. De risicocalculatie van mooie initiatieven. Bij initiatieven zitten veel kansen en uitdagingen, maar aan de initiatieven kleven ook bepaalde risico’s. De vraag is hoe met deze risico’s om te gaan.

Wie had gedacht dat (n)iets doen, iets wat zo klein en simpel klink, zo moeilijk kan zijn? Reden genoeg om van eerder initiatieven te leren en als overheid vooral (n)iets te blijven doen!